De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken. Meer info
Ga verder

Reglement betreffende de aanleg van fietsvoorzieningen binnen het fietsfonds

Besluit van 21 maart 2007

De Provincieraad van Limburg,

Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige subsidies;

Gelet op het besluit van de provincieraad van 20 maart 2002 betreffende de subsidiëring van fietsvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de provincieraad d.d. 20 maart 1996 betreffende de herkenbaarheid van het provinciebestuur in provinciale subsidiereglementen;

Gelet op het door de provincie uitgetekende bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk dat is goedgekeurd door de deputatie in zitting van 14 juni 2001;

Gelet op de beslissing d.d. 28 juni 2006 van het Vlaamse Parlement om de fietsvoorzieningen op het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk op gemeentewegen te subsidiëren;

Overwegende dat het Vlaamse Gewest de subsidieerbare werken subsidieert met een percentage van 40%;

Overwegende dat de provincie Limburg een vooruitstrevend beleid voert wat betreft de toegankelijkheid van het eigen provinciaal patrimonium en wenst dat lokale besturen die een provinciale investeringssubsidie ontvangen een inspanning zouden leveren om de toegankelijkheid van hun infrastructuur te verhogen;

Overwegende dat geopteerd wordt voor een begeleiding door het Toegankelijkheidsbureau om de subsidieaanvrager te faciliteren, begeleiden en ondersteunen gedurende het (ver)bouwproces door op regelmatige tijdstippen contacten met het Toegankelijkheidsbureau in te bouwen;

Overwegende dat hiertoe een overeenkomst zal worden afgesloten tussen de subsidieaanvrager en het Toegankelijkheidsbureau;

Overwegende dat deze begeleiding geen bijkomende kosten impliceert voor de subsidieaanvrager en dat de uitgaven van deze begeleiding gedragen worden door de provincie Limburg in het kader van het convenant dat de provincie Limburg afsloot met het Toegankelijkheidsbureau;

Overwegende dat er redenen toe bestaan om het besluit van 20 maart 2002 te herzien nl.:

  • een verhoging van het subsidiepercentage tot 40%;
  • de beperking tot de aanleg van fietsvoorzieningen op gemeentewegen die tot het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk behoren;

Gelet op artikel 42 § 3 van het provinciedecreet;

Besluit

Artikel 1 - Algemene bepalingen

Binnen de perken van de daartoe op de begroting van de provincie Limburg goedgekeurde kredieten en overeenkomstig de bepalingen van dit reglement kan de deputatie een subsidie toekennen aan gemeenten voor de aanleg en verbetering van fietspaden op het Bovenlokaal Functioneel Fietsroutenetwerk (BFF).

De aanvragen worden afgehandeld in volgorde van indiening en tot uitputting van het krediet.

Dit reglement kadert in de samenwerkingsovereenkomst "fietsfonds" tussen de provincie Limburg en het Vlaamse Gewest betreffende de subsidiëring van de aanleg van fietspaden die deel uitmaken van het BFF. Volgens de bepalingen van die overeenkomst kunnen projecten voor 40 % gesubsidieerd worden door de provincie en voor 40 % door het Vlaamse Gewest.

Artikel 2 - Toekenningsvoorwaarden

§ 1. De grond waarop het fietspad zal aangelegd worden moet eigendom zijn van de gemeente of de gemeente moet een onteigeningsplan ter verwerving ervan kunnen voorleggen. De gemeente kan ook een overeenkomst aangaan waardoor zij een zakelijk recht verwerft op de grond en/of infrastructuur.

§ 2. Het fietspad waarvoor de provinciale subsidie wordt gevraagd, moet deel uitmaken van het BFF.

§ 3 De aanleg van een nieuw fietspad en de verbetering van een fietspad, zoals hieronder bepaald, komt in aanmerking voor subsidie:

1° Aanleg van een nieuw fietspad:

a aanleg van een fietspad in de rijrichting(en) waarin nog geen fietspad ligt;
b. aanleg van een fietspad ter vervanging van een fietspad in één van de of in beide rijrichtingen dat minder dan 1 m breed is (in geval van overlangse fietspadmarkering de breedte van de onderbroken lijnen die het fietspad aanduiden inbegrepen).


2° Verbetering van een fietspad: verbetering van een gemarkeerd fietspad van minimaal 1 meter en maximaal 1,5 meter breed (de breedte van de onderbroken lijnen die het fietspad aanduiden inbegrepen). Deze werken komen enkel in aanmerking indien gemotiveerd kan aangetoond worden dat het een verbetering betreft die de veiligheid ten goede komt.

§ 4. In afwijking van paragraaf 2 kan een gemeente een alternatief traject voorstellen, indien zij van mening is dat dit alternatief beter geschikt is. Bij de aanvraag zal de gemeente deze afwijking voldoende motiveren. De vraag tot afwijking wordt voorgelegd aan de deputatie die, na advies van het Vlaamse Gewest, zal oordelen.

§ 5. Fietspaden langs wegen in eigendom of beheer van het Vlaamse Gewest komen niet in aanmerking voor deze subsidie evenals fietspaden die via modules van het mobiliteitsconvenant door het Vlaams Gewest worden gesubsidieerd.

Artikel 3 – Technische eisen gesteld aan het fietspad

§ 1. De fietspaden moeten voldoen aan de richtlijnen van het Vademecum Fietsvoorzieningen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

§ 2. De gemeente kan gemotiveerd voorstellen om van deze richtlijnen af te wijken. De deputatie zal oordelen, op basis van het advies van de externe auditor van de provinciale auditcommissie, of deze afwijking toegestaan wordt.

Artikel 4 – Subsidieerbare werken

De subsidieerbare kosten voor werken inherent aan de fietsinfrastructuur worden gedefinieerd als kosten voor werken aan het fietspad met daarbij:

  • de voorbereidende werken, de opbraakwerken en de grondwerken aan de bermlichamen waarin de fietspaden worden aangelegd, inbegrepen zonodig het verbeteren van de ondergrond, met uitsluiting van een eventuele milieuhygiënische sanering;
  • de aanleg en de uitrusting van de fietspaden: onderfundering, fundering, verharding, eventuele kantopsluiting en signalisatie;
  • de afdekking van de wegberm:
    - aan weerszijden van het fietspad, in het geval van een fietspad onafhankelijk van een rijbaan (d.w.z. een fietspad dat niet het tracé van de rijbaan volgt);
    - aan één zijde van het fietspad, nl. tussen de rijbaan/verharde zijstrook en het fietspad, in het geval van een fietspad aangelegd in een buitenberm naast een rijbaan, inbegrepen het planten van eventuele functionele hagen;
  • de herstelling van de bermverhardingen gelegen tussen het fietspad en de rooilijn;
  • de constructie van kantopsluitingen, ter plaatse gestort of met geprefabriceerde lijnvormige elementen, nieuw of hergebruik, de waterslikkers in de straatgoten inbegrepen, voor zover deze werken fysisch niet te scheiden zijn van de aanleg van de fietspaden;
  • voor zover het door de aanleg of de verbetering van de fietspaden noodzakelijk is, het aanpassen, verplaatsen of nieuw aanleggen van een waterafvoersysteem. Dat waterafvoersysteem kan bestaan uit: bermsloten (inbegrepen de duikers in de bermsloten), draineersleuven of RWA-rioolleidingen, nodig voor de afvoer van het hemelwater dat valt op de fietspaden (of op de rijbaan en fietspaden).

In het geval van een nieuw aan te leggen RWA-rioolleiding, die water afvoert van de fietspaden en de rijbaan en/of de aangelanden, komt slechts het deel van de kosten, pro rata het aandeel van het hemelwater dat van de fietspaden afstroomt in aanmerking voor subsidiëring.

Het vernieuwen, zelfs het aanpassen van de DWA-riolering wordt uitgesloten, behalve het op de juiste hoogte brengen van de bovenbouw van bestaande inspectieputten in de verharding van de fietspaden en het leveren en plaatsen van geschikte riooldeksels;

  • het verlengen van dwarse duikers of ondertunneling onder de fietspaden;
  • alle werken die inherent zijn aan de aanleg van het fietspad zoals het bouwen van fietsbruggen over de onbevaarbare waterlopen en de beschermmiddelen zoals paaltjes en hekkens;
  • het aanpassen van de kruispunten, ingevolge de inplanting van de fietspaden, ter plaatse van uitmondende zijstraten;
  • de aanleg en het uitrusten, waar nodig, van gelijkvloerse fietsoversteekplaatsen;
  • prijsherzieningen, eventuele verrekeningen, bijakten of bijwerken;
  • btw.

De subsidieerbare werken dienen verplicht in een afzonderlijk hoofdstuk in de raming, samenvattende opmetingsstaat, offerte en eindafrekening ondergebracht te worden.

De volgende werken en kosten komen uitdrukkelijk niet in aanmerking voor financiële tussenkomst binnen het kader van het Fietsfonds:

  • de erelonen, studiekosten en toezichtkosten;
  • de proefkosten;
  • de grondverwervingen;
  • de verplaatsing van nutsleidingen;
  • rioolleidingen, die gesubsidieerd worden door het gewest en/of andere instanties;
  • de reinigingskosten of stortkosten van bodem als gevolg van eventuele verontreiniging van de aanwezige bodem;
  • de herstelling van de bermverhardingen gelegen tussen het nieuwe fietspad en de rooilijn bij de gelijktijdige aanleg van voetpaden;
  • werkuren, ingeval de werken uitgevoerd worden met eigen personeel;
  • onderhoudswerken;
  • het zaaien van gras en het planten van hoogstammen;
  • onderhoud van groenaanleg tijdens de waarborgtermijn;
  • de aanleg van stoepen en straatmeubilair;
  • de openbare verlichting.

Artikel 5 - Subsidiebedrag

§ 1. Het bedrag van de provinciale subsidie bedraagt 40 % van de subsidieerbare werken.

§ 2. Indien de subsidieerbare werken minder dan € 50 000 (inclusief btw) bedragen komt het project niet in aanmerking voor subsidiëring.

§ 3. Het gecumuleerde bedrag van de provinciale subsidie en andere subsidies mag niet meer bedragen dan
100 % van het uiteindelijke gunningsbedrag, btw inbegrepen. In voorkomend geval zal de provinciale subsidie verminderd worden.

Artikel 6 – Aanvraag via provinciale auditcommissie (PAC)

§ 1. De aanvraag voor de provinciale subsidie gebeurt op basis van een beslissing van de aanvrager vergezeld van een startnota.

De aanvrager organiseert een gemeentelijke begeleidingscommissie (GBC) ter bespreking van de startnota. De provincie maakt deel uit van deze GBC. Tevens nodigt de aanvrager het Toegankelijkheidsbureau uit op de vergaderingen van de GBC.

De startnota omvat minstens: de probleem-en doelstellingen, de ruimtelijke en verkeerskundige analyse, de randvoorwaarden, de visie van de partners en actoren, de mogelijke oplossingsrichtingen met hun effecten, de kostenraming, de afweging en de keuze van de oplossing en verdere procedure, een advies van het Toegankelijkheidsbureau.

§ 2. De aanvrager dient de door de GBC goedgekeurde startnota in, vergezeld van het verslag(en) van de GBC. De provincie onderzoekt de aanvraag op conformiteit met de richtlijnen van het Vademecum Fietsvoorzieningen en het subsidiereglement en legt het dossier voor aan de provinciale auditcommissie (PAC). De startnota moet conform verklaard worden door de PAC.

§ 3. De aanvrager organiseert een GBC ter bespreking van de projectnota. De provincie maakt deel uit van deze GBC. Tevens nodigt de aanvrager het Toegankelijkheidsbureau uit op de vergaderingen van de GBC.

De projectnota omvat minstens: korte recapitulatie van de startnota met de eventuele gewijzigde elementen, een detaillering en verantwoording van de gekozen oplossing met ontwerpplan(nen), te nemen begeleidende maatregelen ter ondersteuning van het project en een kostenraming, een advies van het Toegankelijkheidsbureau.

§ 4. De aanvrager dient de door de GBC goedgekeurde projectnota in, vergezeld van het verslag(en) van de GBC. De provincie onderzoekt de aanvraag op conformiteit met de richtlijnen van het Vademecum Fietsvoorzieningen en het subsidiereglement en legt het dossier voor aan de PAC. De projectnota moet conform verklaard worden door de PAC.

§ 5. Voor kleinere projecten tot een bedrag van € 100.000 (inclusief btw) aan subsidieerbare werken volstaat een projectnota. Er kan steeds vrijblijvend een startnota voor advies voorgelegd worden.

Artikel 7 – Procedure voor het indienen en behandelen van de subsidieaanvraag

§ 1. De aanvraag voor de provinciale subsidie gebeurt op basis van een gemeenteraadsbesluit betreffende de goedkeuring van het definitieve ontwerpdossier voor de werken waarin het fietspad vervat zit. De aanvraag vermeldt uitdrukkelijk dat de provinciale subsidie wordt aangevraagd en onderschrijft de verbintenissen, zoals vermeld in artikel 8.

§ 2. Op zicht van het voorgelegde ontwerp beslist de deputatie principieel over de toekenning van de subsidie. Hierbij kunnen bindende voorwaarden naar uitvoering bepaald worden. Deze principiële belofte houdt vanwege het provinciebestuur geen enkele verbintenis in.

De principiële belofte vervalt indien er na 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van toekenning ervan, geen aanbestedingsdossier werd ingestuurd. De gemeente kan gemotiveerd voorstellen om van deze termijn af te wijken. De deputatie zal oordelen of deze afwijking toegestaan wordt.

§ 3. Op zicht van het aanbestedingsdossier verleent de deputatie de vaste belofte van subsidie. Het aanbestedingsdossier bestaat uit een kopie van de laagste of voordeligste regelmatige offerte, het aanbestedingsverslag en het gunningsbesluit.
De subsidie wordt forfaitair berekend op de laagste of voordeligste regelmatige offerte.

De werken mogen niet worden aangevat voor deze subsidie aan de deputatie werd aangevraagd.

§ 4. De uitbetaling van de subsidie gebeurt in twee fasen.

§ 4.1. Na ontvangst van het bevel tot aanvang der werken wordt een eerste schijf van 50% van het subsidiebedrag betaald.
§ 4.2. Het saldobedrag van de subsidie wordt berekend op basis van de door de subsidieaanvrager goedgekeurde eindafrekening. De eindafrekening dient te bestaan uit een cumulatieve eindstaat, overzicht van de uitgevoerde proeven en attesten met betrekking tot de gesubsidieerde posten, overzicht uitvoeringstermijn, gedetailleerde opmeting van de gesubsidieerde posten, proces-verbaal van voorlopige oplevering en college- of gemeenteraadsbeslissing houdende de goedkeuring van de eindafrekening, het eindrapport (bespreking en eindcontrole) van het Toegankelijkheidsbureau eventueel aangevuld met een verantwoording van de aanvrager waarom niet kon worden voldaan aan de toegankelijkheidsvereisten.

Bij de saldoberekening van de subsidie kunnen prijsherzieningen, eventuele verrekeningen, bijakten of bijwerken mee in rekening gebracht worden tot het oorspronkelijk vastgelegde subsidiebedrag bereikt is. Enkel indien bij de eindafrekening de vastgestelde te subsidiëren werken lager zijn dan bepaald bij de gunning, wordt de subsidie herberekend.

§ 5. Het eindafrekeningsdossier wordt binnen een maximumtermijn van vijf jaar na de toekenning van de vaste belofte ingestuurd; nadien vervalt de subsidie.

Artikel 8 - Verbintenissen

De aanvrager verbindt zich ertoe om:

  • alle maatregelen te treffen om het onderhoud van de fietspaden te garanderen;
  • bij elke publiciteit die zij omtrent deze werken maakt, zowel op de werf als in de media, melding te maken van de steun die zij daarvoor ontvangt van de provincie en van het Vlaamse Gewest;
  • elke daartoe gemachtigde afgevaardigde van de provincie de toestemming te geven om ter plaatse het gebruik van de toegekende subsidie te controleren, toegang tot de werf te verlenen en deel te nemen aan werfvergaderingen.
  • een overeenkomst af te sluiten met het Toegankelijkheidsbureau vzw waarin de afspraken opgenomen worden met betrekking tot de tijdstippen waarop de aanvrager een beroep zal doen op de begeleiding van het Toegankelijkheidsbureau. Hiertoe reikt de Dienst Mobiliteit van de Directie Ruimte een model van overeenkomst aan waarin volgende fases omschreven worden : de uitnodiging tot de GBC-vergaderingen,  het advies voor de start- en/of projectnota, opmaak van het eindrapport met de bijbehorende bespreking en eindcontrole.
  • voor alle werken de vereiste vergunningen te bekomen.

Artikel 9 - Sancties

De subsidie wordt slechts voorwaardelijk toegekend. Ingeval de gemeente één of meer bepalingen van dit reglement niet naleeft; onjuiste of onvolledige gegevens meedeelt aan de provinciale administratie, de voorgeschreven termijnen niet respecteert kan de deputatie één of meerdere van volgende sancties opleggen:

  • de subsidie wordt geheel of gedeeltelijk teruggevorderd;
  • de uitbetaling van reeds toegekende, maar nog niet of slechts gedeeltelijk uitbetaalde subsidies wordt stopgezet;
  • de subsidieaanvrager wordt uitgesloten van verdere subsidiëring gedurende een bepaalde periode.

Artikel 10 - (Overgangs- en) Slotbepaling

Het provinciaal reglement voor het toekennen van subsidies voor de aanleg en verbetering van functionele en toeristische fietspaden, dat in voege trad na de raadsbeslissing van 23 juni 1999 en gewijzigd bij raadsbeslissing van 20 maart 2002 wordt opgeheven met dien verstande dat de vorige besluiten van toepassing blijven op de werken die aanbesteed worden voor 1 juni 2007 en waarvan de aanvraag van de provinciale subsidie aan het provinciebestuur werden opgestuurd voor 1 juli 2007. Bij deze aanvraag moet een besluit van het schepencollege houdende de gunning van de opdracht gevoegd worden.

Artikel 11

Dit reglement treedt in werking op 1 april 2007.

Hasselt d.d. 2007-03-21

De provinciegriffier
Marc Martens

De voorzitter,
Jos Claessens